Schouder

 

Met een code log ik in op de website van de Inspectie om de melding van een vrijheidsbeperking te beoordelen en te melden. 

Deze melding gaat over afspraken in het zorgplan waarin de afspraak staat dat een jonge vrouw bij agressie vastgepakt mag worden. Ik ken haar en ik heb wel eens eerder losse meldingen gedaan als ze vastgehouden moest worden.

Dat vasthouden wordt ook wel fixeren genoemd en er zijn een paar mensen voor nodig om het bij haar voor elkaar te krijgen. 

Dit zijn nu vaste afspraken die gemaakt worden. 

De jonge vrouw in kwestie kan inderdaad soms heel erg boos worden. Ze kan dan anderen slaan en met dingen die om haar heen staan gooien. Achteraf blijkt meestal dat ze boos is geworden over iets kleins en, in onze ogen, onbenulligs. 

Ze is behoorlijk groot en kan ook best intimiderend overkomen. Bij mij in de spreekkamer is ze ook wel eens boos geworden. Gelukkig kreeg ik alleen een keiharde klap met de deur te verwerken toen ze wegliep, nadat ik een opmerking had gemaakt over haar gewicht. Die keer kwam ze na vijftien minuten weer terug om sorry te zeggen en konden we het goed uitpraten. 

Bij het doornemen van de melding zie ik dat er staat dat ze inderdaad bijna altijd achteraf spijt heeft van haar boosheid en het ook erg vervelend vindt dat ze zo boos is geworden. Ik besluit de gedragsdeskundige te mailen en de melding op dit moment nog niet goed te keuren. Ik mis namelijk haar eigen inbreng. 

Een week later komt ze op mijn spreekuur nadat ik gevraagd had of ze een afspraak bij me wilde maken samen met haar begeleidster. Ik vertel haar over de melding die ik moest doen bij de Inspectie over het vasthouden van haar als ze zo boos is. Ik vraag haar wat ze zelf zou willen dat we doen als ze zo boos wordt dat ze dingen kapot maakt of anderen pijn doet. 

Ik zie haar opkijken en nadenken. Het duurt even maar dan weet ze het; “Ik wil dat iemand me stevig bij mijn schouder vastpakt en hard STOP tegen me zegt”. De begeleidster zegt direct dat dit een prima plan is en dat ze het de volgende keer zal uitproberen. Maar als dat niet helpt dat ze dan echt weer even vastgehouden moet worden. 

Een paar weken later zie ik haar en haar begeleidster weer. Ze stralen beiden en vertellen dat het gewerkt heeft! Ze bleef nog wel even boos maar het liep niet meer zo uit de hand als eerder. De afspraak over het beetpakken van de schouder staat nu in het zorgplan. 

En omdat ze daar geen verzet tegen heeft, hoef ik gelukkig nu ook geen melding te doen bij de Inspectie.

 


 

Zwembandjes

 

Stoer loopt hij naast mij richting de vaart waar we gaan zwemmen. Het is zinderend heet en ik verheug me al op het koele water. In mijn linkerhand heb ik twee oranje zwembandjes vast en in mijn rechterhand de hand van mijn vierjarig zoontje. Over mijn schouders hangen twee handdoeken. We hebben onze zwembroeken al aan.  “Zo, even de zwembandjes omdoen hoor” zeg ik terloops tegen hem. Hij loopt stoer door en roept “Nee, ik kan zwemmen!” Ik kijk verbaasd omlaag naast mij terwijl we steeds dichter bij de vaart komen.

“Jij kunt helemaal niet zwemmen! Je bent twee weken geleden net begonnen in het pierenbadje voor je eerste diploma”.

“Ik kan zwemmen!” roept hij nog een keer hard.

Ik peins even hoe ik dit moet oplossen.

Bij de vaart aangekomen zet ik hem op mijn heup en stap samen met hem in het water. Het water is echt heerlijk. Ik sta op de zompige modderige bodem en plaats hem met gestrekte armen voor me.

“Weet je zeker dat je kunt zwemmen en geen bandjes nodig hebt?” vraag ik hem nog een keer. En nog een keer roept hij: “Ik kan zwemmen!”.

“Oké” zeg ik en ik beweeg mijn handen onder zijn oksels naar beneden. Hij maakt wat wilde bewegingen met zijn armen en gaat kopje onder. Na drie seconden doe ik mijn armen weer omhoog en komt hij proestend boven.

“Kun je zwemen?” vraag ik vriendelijk. “Nee,” zegt hij wat bedremmeld.

“Moet je bandjes om?” is mijn tweede vraag

“Ja” zegt hij.

 

Aan dit voorval dacht ik laatst terug toen ik met een jongen van negentien jaar met een lichte verstandelijke beperking, zijn ouders en zijn begeleiding in gesprek was.

De jongen vertelde uitgebreid dat hij best op zichzelf kon en ook wilde wonen. Zijn ouders en begeleiding dachten zeker te weten dat hij het niet alleen kon en eisten dat hij zich liet begeleiden. Dat wilde hij absoluut niet.

Ik heb het verhaal van de zwembandjes aan ze verteld.

 


 

Hoe de wind waait…

 

Mo is 7 jaar. Hij scharrelt door de klas als ik hem door de het raam van de deur observeer samen met zijn moeder. Zijn moeder maakt zich erg veel zorgen. 

Mo kan zo lief zijn ondanks zijn autisme. Hij knuffelt niet of zo en van veel interactie is ook geen sprake, maar hij vermaakt zichzelf wel en is erg gemakkelijk in de omgang. Hij gaat gezellig mee op uitstapjes en trekt zich niet veel aan van zijn omgeving. Hij eet goed, slaapt goed en maakt eigenlijk nergens een punt van. Hij lijkt alles wel prima te vinden zolang hij zijn touwtjes en stukjes stof heeft waar hij mee kan wapperen voor zijn gezicht. 

Alleen soms, zomaar opeens uit het niks, begint hij hard op zijn hand te bijten en hard te jammeren. Moeder en begeleiding hebben alles geprobeerd om uit te zoeken waardoor hij dat opeens doet. Begeleiding maakt zich erg veel zorgen en heeft al geopperd of hij geen galstenen zou kunnen hebben waar hij pijnaanvallen van heeft. Als hij in de buurt van een begeleider of ander kind is dan kan hij ook naar de arm van diegene die vlakbij hem is grijpen en die hard bijten. Dat is natuurlijk helemaal ongewenst en daarom wordt hij nu apart begeleid. Soms heeft hij dagen dat hij helemaal niet bijt en er niks aan de hand lijkt te zijn. Andere dagen heeft hij het een paar keer per uur. 

Omdat men echt niet weet waardoor de aanvallen komen heeft men van alles al uitgeprobeerd. Medicatie, andere begeleidingsstijlen, andere communicatievormen diverse medische onderzoeken om lichamelijke problemen uit te sluiten waaronder een MRI onder narcose en een onderzoek onder narcose bij de tandarts. Allemaal zonder aanwijzingen voor problemen die het gedrag kunnen verklaren. Omdat ik het ook niet zo goed weet, bespreken we dat een optie nog is om video-opnames te maken om nog beter te kunnen observeren of er misschien toch een aanleiding is buiten hemzelf die dit gedrag zou kunnen verklaren en die wij niet doorhebben.

Een aantal weken later hoor ik dat ze eindelijk weten waardoor Mo zo onrustig wordt. Op de video hoorden ze tijdens een “aanval” van Mo, in de verte en heel zacht, een vliegtuig overkomen. Dat was het dus! Mo werd angstig van het geluid van het vliegtuig dat de mensen om hem heen niet bewust hoorden. 

De aanvliegroute was, vanwege de windrichting, niet heel erg vaak gebruikt maar als hij gebruikt werd dan was Mo onrustig. Men houdt nu rekening met de windrichting en zet hem bij de verkeerde windrichting een koptelefoon op. 


 

Compositie 10 in kleur

 

 

Ze woont in haar eigen appartementje. Het appartementje doet een beetje raar aan realiseer ik me nu ik dit opschrijf. Het is knus maar ook een beetje kunstmatig. Alsof het een kamer is uit een folder van de Ikea. Alleen in de avond is er begeleiding voor haar. De begeleiders koken dan samen met de andere bewoners die ook allemaal in een eigen appartementje wonen in het complex. In de ochtend doet iedereen alles zelf. De begeleiding maakt zich zorgen om haar. Ze weegt te weinig en ondanks dat ze regelmatig twee keer opschept in de avond wil ze nauwelijks aankomen. Heeft ze misschien een eetstoornis? Haar gebit is erg slecht. De laatste keer dat ze bij de tandarts was had ze meer dan tien gaatjes. Daarnaast was opgevallen dat haar zelfzorg soms wat te wensen overlaat. Dan is ze wel onder de douche geweest maar heeft ze haar haren niet met shampoo gewassen.
Als ik binnenkom zie ik al dat ze erg gespannen is. Ik ga naast haar op de bank zitten.Ik vertel haar dat ik de tekening boven de tafel zo mooi vind. Ze vertelt dat ze die zelf gemaakt heeft in het atelier waar ze werkt. Het is een tekening van een panter. Ze vertelt dat ze tekeningen zoekt op de computer, uitprint en die dan met carbonpapier overtrekt en inkleurt. Een minimaal beetje minder gespannen laat ze me wat andere tekeningen zien die in een map zitten. Stuk voor stuk tekeningen die ze heeft overgetrokken en ingekleurd. Een raar mengelmoesje van verschillende tekeningen, maar allemaal met potlood ingekleurd. Als ik haar vraag of ze wel eens zelf wat verzint om te tekenen pakt ze een tekening uit de map en vertelt dat het flatgebouwen zijn en dat ze die zelf met liniaal heeft getekend. Ik zie een soort staafdiagram dat afloopt van de ene kant van het papier naar de andere kant. De lucht is egaal groen en de staven zijn elk een andere kleur. Ik had er geen flat in gezien als ze het er niet bij had gezegd. Als ze de map weg legt vallen er wat kleine papiertjes uit. Het zijn strookjes papier met ontelbare kleine streepjes van steeds een ander kleurpotlood. Het doet me denken aan een schilderij van Mondriaan maar dan in kleur. Het zijn de oefenpapiertjes waarop ze de kleuren test voordat ze gaat inkleuren verteld ze. Eigenlijk zijn dat de mooiste tekeningen denk ik bij mezelf.
Als we het over haar gewicht hebben zegt ze dat ze dat niet zo erg vindt. Ze heeft er geen last van. In de ochtend en middag heeft ze gewoon geen trek. Ze is wel vaak erg gespannen. Ook in de ochtend. Het lukt haar dan niet om rustig te gaan zitten om wat te eten. Vaak vergeet ze dan ook tanden te poetsen. Soms is ze zo gespannen dat ze zelfs misselijk wordt. Dat was ook vandaag zo, omdat ik bij haar op bezoek zou komen. Nu we met elkaar praten gaat het al wat beter vertelt ze.

 

We spreken af dat ze in de ochtend een stappenplan krijgt om uit te voeren. Punt voor punt alles wat ze in de ochtend moet doen. Die kan ze stap voor stap volgen, net als bij het natekenen. Ondanks dat ze zelfstandig overkomt denk ik dat het alleen wonen best ingewikkeld is voor haar. Daarnaast gaan we haar helpen met oefeningen en een beetje medicatie om wat minder gespannen te zijn. Ik ben benieuwd hoe het met haar gaat als ik haar weer zie een volgende keer….

 

Mondriaan 1915 Compositie 10 in zwart wit

Mondriaan 1915 Compositie 10 in zwart wit


 

 

 

Moeilijk instelbare suikerziekte

 

 

Er wordt op de deur geklopt. Ik ben aan de telefoon. De deur wordt opengedaan ondanks het feit dat ik niks geroepen heb. De manager van een aantal woningen waar ik de dokter van ben staat op de drempel van mijn spreekkamer. Hij kijkt mij vragend aan. Ik draai me om en kijk naar buiten. Op die manier kan ik mijn telefoongesprek afronden.

 

Als ik het gesprek heb beëindigd wend ik mij tot mijn bezoeker. Voordat ik iets kan zeggen steekt hij van wal. “Sorry dat ik zo kom binnenvallen maar ik moet je even spreken over de nieuwe bewoonster die morgen komt”. “Komt er een nieuwe bewoonster?” vraag ik hem. “Wist ik niet” mompel ik er achteraan. “Ja, op de buitenwoning. Maar nu hoorde ik dat ze slecht instelbare suikerziekte heeft, hoe gaan we dat doen? Dat is toch gevaarlijk?”

 

Hij blijft me strak aankijken. Ik antwoord “Ik heb waarlijk geen idee, ik weet namelijk helemaal niks van deze mevrouw. Hebben we al gegevens van haar vorige huisarts?” Ik begrijp van de manager dat deze dame al wat ouder is en meteen vanuit haar eigen appartement bij ons komt wonen. Ze woonde met alleen wat ambulante ondersteuning. Wat hielp was dat ze ook vlakbij haar ouders woonde in het dorp. Haar ouders hielpen haar ook met veel dingen. Nu zijn haar ouders op een leeftijd gekomen dat ze niet meer voor haar kunnen zorgen en dat maakt het onmogelijk dat ze langer op zichzelf woont.

 

Die middag bel ik haar eigen huisarts. Ze vertelt me dat ze blij is om te horen dat haar patiënt bij ons komt wonen. Ze maakte zich al langer zorgen over deze mevrouw. Vooral de suikers waren moeilijk in te stellen en ook de internist, waar ze vanwege de steeds afwijkende bloeduitslagen al een paar jaar geleden naar verwezen werd, lukte het niet om de suikers goed te krijgen.

 

De maanden na haar verhuizing hoor ik niks meer over deze mevrouw. Na drie maanden zie ik de bloeduitslagen en blijkt de HbA1c (een meting die aangeeft hoe goed de suikers zijn ingesteld op lange termijn) bijna normaal is. Niet zozeer de suikerziekte was moeilijk instelbaar blijkbaar, maar het was vooral de mevrouw zelf die niet goed kon instellen. Toch net een verschil.


 

Tweeduizend

Het is zondagmiddag en ik heb achterwacht voor de arts in opleiding. Ze belt me en we bespreken aan aantal bewoners waar vragen over waren en waarvoor ze haar hadden gebeld. Als laatste heeft ze nog een vraag over Tim: “…..en dan nog een belletje vanuit de ander locatie; de medewerkster zegt dat het niet goed gaat met Tim. Hij is zo druk en heeft ook al een bord kapot gegooid en de andere bewoners worden nu ook druk van hem Ze vraag of ze hem een Oxazepam mag geven. Ze kent hem niet zo goed, maar volgens haar is hij normaal niet zo druk…”

Ik ken Tim. Hij heeft autisme en praat niet. Hij is normaal niet zo snel uit zijn doen, dus er is mogelijk meer aan de hand.

“Heeft hij koorts of andere klachten?” vraag ik “Eet en drinkt hij wel normaal? Is er verder iets aan de hand waar hij onrustig van kan worden? Is hij binnenkort jarig of iets dergelijks? Werkt er iemand die hem kent?”

Na ongeveer een kwartiertje krijg ik de arts in opleiding weer aan de telefoon:

“Ik belde net terug en de dienst van diegene die eerst belde was afgelopen en een medewerkster die al veel langer met Tim werkte was net binnengekomen. Het bleek dat Tim onrustig was geworden omdat hij sokken aan had terwijl hij ook sandalen aan had. En dat klopt niet in zijn wereld.
Sandalen zijn altijd zonder sokken! Punt uit!
Gelukkig had de bekende medewerker het meteen gezien en zijn sokken uit laten doen. Daarna was de rust weergekeerd.”

Iemand die zijn leven lang afhankelijk is van zorg van anderen schijnt tweeduizend verschillende hulpverleners tegen te komen in zijn of haar leven. Waar dit getal vandaan komt weet ik niet maar ik denk dat het aardig in de buurt komt van de werkelijkheid…..

 


 

Zelfstandig

Tegenover mij zit Farid. Hij is nu 36 jaar. Hij zegt me te herkennen als ik vertel dat ik eerder met hem gesproken heb.
Ongeveer twee jaar geleden zat ik ook al eens tegenover hem namelijk. Dat was toen in de opvang voor dak- en thuislozen. Nu zit ik in een spreekkamer van de stadsgevangenis in Rotterdam. Farid ziet er beter en verzorgder uit dan destijds.
Twee jaar geleden had ik een gesprek met hem omdat we vermoedden dat hij moeite had zich staande te houden in de maatschappij. Hij kon niet goed rekenen en lezen en schrijven lukte ook niet zo best. Zijn verhaal was doordrenkt van gedoe.
Keer op keer in en uit de gevangenis. Drie keer had de rechter hem al veroordeeld tot een ISD-maatregel. Een mogelijkheid die de rechter heeft om iemand maximaal twee jaar in een inrichting te plaatsen als diegene door recidiverende criminaliteit steeds maar weer in de fout gaat. Maar elke keer als hij na twee jaar weer vrij kwam, ging het net zo hard weer mis
Als ik Farid vertel dat ik denk dat hij niet goed voor zichzelf kan zorgen wordt hij boos. Hij buigt zich over de tafel naar mij toe en kijkt mij dreigend aan.
Ik zit alleen met hem in het kamertje. De noodknop is vlak achter mij en de bewaker zou bij de deur blijven staan, maar uiteraard voel ik me niet helemaal senang op dat moment.
Farid zegt dat hij prima voor zichzelf kan zorgen. Hij gaat zelfstandig wonen wanneer hij vrij komt, weet hij te vertellen.
Ik vraag naar zijn cocaïne verslaving en hij verzekert mij dat hij prima cocaïne kan gebruiken en dat hij dat heel goed in de hand kan houden ook als hij zelfstandig gaat wonen.
Als ik Farid zeg dat ik dat zeer betwijfel en dat ik er van overtuigd ben dat als hij weer cocaïne gaat gebruiken zijn hersenen op standje “blank” gaan en dat hij daarom net als alle vorige keren weer in de problemen komt, zie ik hem denken. En ik besluit om meteen maar door te pakken.
“Farid, je maakt er al 20 jaar een puinhoop van. Twee jaar geleden zag ik je voor het eerst in de dak- en thuislozen-opvang. Toen beweerde je ook al dat je prima voor jezelf kon zorgen en wilde je geen hulp. Nu zit ik weer tegenover je. Je kunt het niet. Het spijt me, maar je kunt niet voor jezelf zorgen. Je hebt hulp nodig en begeleiding om te zorgen dat je niet steeds in de shit terecht komt.”
Farid is weer achterover gaan zitten. Ik zie hem denken.
Dan formuleert hij de meest briljante zin die ik vermoedelijk ooit gehoord heb: “Ja, maar hier in de gevangenis kan ik toch ook heel goed voor mezelf zorgen? Ik ben hier helemaal zelfstandig!”

GEVANGENISCEL

De naam is gefingeerd uiteraard


 

Pieper

We weten niet hoe oud ze is. Ze komt elke twee weken vanuit de stad met de bus naar het dorp en loopt dan naar het terrein. Dat is een flinke wandeling. Ze is klein van formaat maar haar liefde voor haar zoon en haar betrokkenheid bij hem zijn enorm. We berekenen dat ze minstens 75 jaar zou moeten zijn.

Ze weigert om een taxi te nemen vanuit het dorp of vanuit de stad. Ze zegt zelf het geld daar niet voor te hebben en het geld van haar zoon gebruiken wil ze niet. Vroeger kwam haar zoon eens per twee weken bij haar op visite totdat hij een keer overprikkeld raakte en zijn moeder met een koffietafel aanviel.
Dat was de tweede keer dat een soortgelijk incident plaatsvond en daarom werd besloten dat bezoekjes aan moeder niet veilig meer zouden zijn. Sindsdien komt ze elke twee weken naar hem toe.
De jaren hebben de reacties op elkaar steeds dieper ingesleten. De liefde voor haar zoon zit diep. En zijn loyaliteit jegens haar zit misschien nog wel dieper.
Ze is niet bang geworden voor haar zoon en ze wil nog steeds alleen zijn met hem. Wij schatten in dat over het terrein lopen met z’n tweetjes niet helemaal zonder risico is. Haar zoon kan soms nog steeds boos worden. Zelf weigert ze een noodpieper mee te nemen. “Het is mijn zoon en als hij me doodslaat dan is dat maar zo,” is haar antwoord als we het vragen. Maar dat is natuurlijk iets te kort door de bocht voor ons als hulpverleners.
Verschillende oplossingen passeren de revue. Het verbieden van het rondje lopen over het terrein is geen optie, daar is iedereen het over eens.
Haar zoon groeit zien we, misschien ook juist omdat hij niet elke twee weken meer naar zijn moeder gaat. Maar hij blijft klem zitten tussen de loyaliteit aan zijn moeder en de prikkels die zij hem geeft. Wij wegen de risico’s af.
Hij vind het ook spannend om alleen met zijn moeder over het terrein te lopen vertelt hij ons. We besluiten uiteindelijk om niet haar, maar hem de pieper mee te geven.
“Als het niet goed gaat mag je op de pieper drukken en dan komen we”. Hij glimt van trots en na twee jaar zie ik ze nog geregeld samen over het terrein lopen. Er is nooit meer wat gebeurd.


 

Papiervoorraad

Jules is tegen de 60 en heeft vanaf zijn 12de jaar in een instelling gewoond. Hij groeide tot zijn tweede jaar net zo gezond op als de meeste kinderen. Hij had alleen de pech om als twee-jarig kind een ernstige herseninfectie te krijgen als gevolg van de mazelen. Hij is matig verstandelijk beperkt en woont op het terrein van de instelling.
Jules kon vroeger erg agressief zijn als dingen onduidelijk waren of als er te veel druk op hem gelegd werd. Hij kon dan een hele huiskamer binnen de kortste keren verbouwen. De oudere medewerkers kunnen daar nog met veel emotie over praten.
Bij zijn dagbesteding is alles precies op hem aangepast. Hij versnippert papier en dat doet hij met verve in zijn eigen rustige tempo. Hij zit in een rustige hoek van het gebouw.

Jules komt aan de arm van zijn broer mijn spreekkamer binnen. Hij schuifelt naar mijn bureau en gaat stram in de stoel zitten met zijn grote lichaam. Een klein beetje speeksel loopt langs zijn linker mondhoek op zijn jas.
We hebben een gesprek waarbij Jules zo af en toe “ja” zegt terwijl hij naar beneden kijkt.
Bij mijn vraag wanneer hij voor het laatst echt boos was moet de broer lang nadenken. Jules zegt wat onduidelijk: “Lang geleden.”
Ondertussen glijdt mijn oog over de medicatielijst met twee verschillende antipsychotica, een benzodiazepine in de avond, een antidepressiva, een anti-epileptica die hij krijgt als stemmingsstabilisator, een cholesterolverlager alsmede een bloeddruk- en een bloedsuikerverlagend middel. Ik besluit maar eens met de gedragsdeskundige te gaan praten.

Ongeveer vier maanden later zit ik op de dagbesteding samen met de gedragsdeskundige tegenover de manager van de dagbesteding, de persoonlijk begeleider van Jules en een medewerker van de groep van Jules.
Jules is sneller in alles, dus ook met het versnipperen. Hij praat meer en is meer open horen we. Ook is hij wat afgevallen. Men is blij voor Jules dat er medicatie is afgebouwd maar men vraagt mij nu wel of ik een oplossing heb voor het feit dat de papiervoorraad op is en hij nu soms niks te doen heeft. Ik ga verder niet in op deze vraag.
Pas op weg naar buiten vraag ik me af in hoeverre men dit serieus bedoelde….


 

Indicaties

Als ik op weg ben naar de supermarkt staat hij daar opeens.
Uit de grote shopper die naast hem op de grond staat, zie ik een slaapzak steken. Ik stop bij hem en vraag hoe het met hem gaat. Praten met hem is moeilijk omdat hij niet echt luistert en eerst steeds “wat?” zegt als je iets aan hem vraagt.
Ik informeer waar hij vannacht geslapen heeft. Nadat ik de vraag twee keer gesteld heb, begint hij een verhaal dat hij over twee weken miljonair is en dat alles goed komt.
Hij kijkt me wantrouwend aan terwijl hij dit vertelt en ik krijg uiteindelijk geen antwoord op mijn vraag. Daarna probeer ik hem, tegen beter weten in, te vragen of we nog wat kunnen doen voor hem.

Net voor de Kerst kreeg ik van een hulpverleenster een telefoontje over hem. Ze vertelde dat hij tot een paar maanden geleden in een instelling voor verstandelijk gehandicapten in het oosten van het land woonde. Hij was daar alleen niet tevreden en wilde weer bij zijn moeder wonen. En zo trok hij op een goede dag weer richting Rotterdam. Zijn moeder wist van niets maar ving hem uiteraard wel op.
Tot het niet meer ging en hij van bank naar bank verhuisde. Banken van een broer en een vriend tot die het ook te zwaar vonden worden en hij dus op straat belandde.
Hij heeft nog een WLZ-indicatie voor langdurige zorg maar hoe we dat ook aan hem proberen duidelijk te maken hij gelooft ons niet meer en wil eigenlijk niets meer van ons aannemen.
Dat komt zo: op een gegeven moment had hij zelf ook wel door dat bankslapen geen oplossing was en wilde hij toch weer terug naar een instelling. Een instelling in de buurt van Rotterdam. Zo gezegd zo gedaan en hij ging zelf, heel coherent, naar Stichting MEE. Die probeerde een plek voor hem te regelen maar gezien de lange wachtlijsten en zijn specifieke problematiek ging dat natuurlijk niet heel vlotjes. Wachtlijsten kunnen oplopen tot vier jaar!
Uiteindelijk belde hij de woningbouwvereniging om maar zelf wat te regelen. Aan de telefoon vertelde hij dat hij een woning wilde huren en dat hij een indicatie heeft. De, ongetwijfeld vriendelijke, medewerkster van de woningbouwvereniging zocht zijn (woon-)indicatie op in de computer maar vond die uiteraard niet en vertelde hem dit ook: “U heeft geen indicatie meneer, sorry, u moet gewoon op de wachtlijst en die is zeker vijf jaar.”

Vanaf dat moment gelooft hij ons niet meer en liegen wij volgens hem dat hij een indicatie heeft. Hoe ik ook probeer om hem het verschil tussen een WLZ-indicatie en een woonindicatie duidelijk te maken, hij luistert niet en is vol wantrouwen.
Als ik hem aanbied om wat eten voor hem te kopen wil hij dat niet. Uiteindelijk schud ik zijn hand ter afscheid en terwijl ik mijn handschoen weer aandoe en mijn sjaal rechttrek tegen de kou loop ik met een naar gevoel verder richting supermarkt.