Tweeduizend

Het is zondagmiddag en ik heb achterwacht voor de arts in opleiding. Ze belt me en we bespreken aan aantal bewoners waar vragen over waren en waarvoor ze haar hadden gebeld. Als laatste heeft ze nog een vraag over Tim: “…..en dan nog een belletje vanuit de ander locatie; de medewerkster zegt dat het niet goed gaat met Tim. Hij is zo druk en heeft ook al een bord kapot gegooid en de andere bewoners worden nu ook druk van hem Ze vraag of ze hem een Oxazepam mag geven. Ze kent hem niet zo goed, maar volgens haar is hij normaal niet zo druk…”

Ik ken Tim. Hij heeft autisme en praat niet. Hij is normaal niet zo snel uit zijn doen, dus er is mogelijk meer aan de hand.

“Heeft hij koorts of andere klachten?” vraag ik “Eet en drinkt hij wel normaal? Is er verder iets aan de hand waar hij onrustig van kan worden? Is hij binnenkort jarig of iets dergelijks? Werkt er iemand die hem kent?”

Na ongeveer een kwartiertje krijg ik de arts in opleiding weer aan de telefoon:

“Ik belde net terug en de dienst van diegene die eerst belde was afgelopen en een medewerkster die al veel langer met Tim werkte was net binnengekomen. Het bleek dat Tim onrustig was geworden omdat hij sokken aan had terwijl hij ook sandalen aan had. En dat klopt niet in zijn wereld.
Sandalen zijn altijd zonder sokken! Punt uit!
Gelukkig had de bekende medewerker het meteen gezien en zijn sokken uit laten doen. Daarna was de rust weergekeerd.”

Iemand die zijn leven lang afhankelijk is van zorg van anderen schijnt tweeduizend verschillende hulpverleners tegen te komen in zijn of haar leven. Waar dit getal vandaan komt weet ik niet maar ik denk dat het aardig in de buurt komt van de werkelijkheid…..

Zelfstandig

Tegenover mij zit Farid. Hij is nu 36 jaar. Hij zegt me te herkennen als ik vertel dat ik eerder met hem gesproken heb.
Ongeveer twee jaar geleden zat ik ook al eens tegenover hem namelijk. Dat was toen in de opvang voor dak- en thuislozen. Nu zit ik in een spreekkamer van de stadsgevangenis in Rotterdam. Farid ziet er beter en verzorgder uit dan destijds.
Twee jaar geleden had ik een gesprek met hem omdat we vermoedden dat hij moeite had zich staande te houden in de maatschappij. Hij kon niet goed rekenen en lezen en schrijven lukte ook niet zo best. Zijn verhaal was doordrenkt van gedoe.
Keer op keer in en uit de gevangenis. Drie keer had de rechter hem al veroordeeld tot een ISD-maatregel. Een mogelijkheid die de rechter heeft om iemand maximaal twee jaar in een inrichting te plaatsen als diegene door recidiverende criminaliteit steeds maar weer in de fout gaat. Maar elke keer als hij na twee jaar weer vrij kwam, ging het net zo hard weer mis
Als ik Farid vertel dat ik denk dat hij niet goed voor zichzelf kan zorgen wordt hij boos. Hij buigt zich over de tafel naar mij toe en kijkt mij dreigend aan.
Ik zit alleen met hem in het kamertje. De noodknop is vlak achter mij en de bewaker zou bij de deur blijven staan, maar uiteraard voel ik me niet helemaal senang op dat moment.
Farid zegt dat hij prima voor zichzelf kan zorgen. Hij gaat zelfstandig wonen wanneer hij vrij komt, weet hij te vertellen.
Ik vraag naar zijn cocaïne verslaving en hij verzekert mij dat hij prima cocaïne kan gebruiken en dat hij dat heel goed in de hand kan houden ook als hij zelfstandig gaat wonen.
Als ik Farid zeg dat ik dat zeer betwijfel en dat ik er van overtuigd ben dat als hij weer cocaïne gaat gebruiken zijn hersenen op standje “blank” gaan en dat hij daarom net als alle vorige keren weer in de problemen komt, zie ik hem denken. En ik besluit om meteen maar door te pakken.
“Farid, je maakt er al 20 jaar een puinhoop van. Twee jaar geleden zag ik je voor het eerst in de dak- en thuislozen-opvang. Toen beweerde je ook al dat je prima voor jezelf kon zorgen en wilde je geen hulp. Nu zit ik weer tegenover je. Je kunt het niet. Het spijt me, maar je kunt niet voor jezelf zorgen. Je hebt hulp nodig en begeleiding om te zorgen dat je niet steeds in de shit terecht komt.”
Farid is weer achterover gaan zitten. Ik zie hem denken.
Dan formuleert hij de meest briljante zin die ik vermoedelijk ooit gehoord heb: “Ja, maar hier in de gevangenis kan ik toch ook heel goed voor mezelf zorgen? Ik ben hier helemaal zelfstandig!”

GEVANGENISCEL

De naam is gefingeerd uiteraard


 

Pieper

We weten niet hoe oud ze is. Ze komt elke twee weken vanuit de stad met de bus naar het dorp en loopt dan naar het terrein. Dat is een flinke wandeling. Ze is klein van formaat maar haar liefde voor haar zoon en haar betrokkenheid bij hem zijn enorm. We berekenen dat ze minstens 75 jaar zou moeten zijn.

Ze weigert om een taxi te nemen vanuit het dorp of vanuit de stad. Ze zegt zelf het geld daar niet voor te hebben en het geld van haar zoon gebruiken wil ze niet. Vroeger kwam haar zoon eens per twee weken bij haar op visite totdat hij een keer overprikkeld raakte en zijn moeder met een koffietafel aanviel.
Dat was de tweede keer dat een soortgelijk incident plaatsvond en daarom werd besloten dat bezoekjes aan moeder niet veilig meer zouden zijn. Sindsdien komt ze elke twee weken naar hem toe.
De jaren hebben de reacties op elkaar steeds dieper ingesleten. De liefde voor haar zoon zit diep. En zijn loyaliteit jegens haar zit misschien nog wel dieper.
Ze is niet bang geworden voor haar zoon en ze wil nog steeds alleen zijn met hem. Wij schatten in dat over het terrein lopen met z’n tweetjes niet helemaal zonder risico is. Haar zoon kan soms nog steeds boos worden. Zelf weigert ze een noodpieper mee te nemen. “Het is mijn zoon en als hij me doodslaat dan is dat maar zo,” is haar antwoord als we het vragen. Maar dat is natuurlijk iets te kort door de bocht voor ons als hulpverleners.
Verschillende oplossingen passeren de revue. Het verbieden van het rondje lopen over het terrein is geen optie, daar is iedereen het over eens.
Haar zoon groeit zien we, misschien ook juist omdat hij niet elke twee weken meer naar zijn moeder gaat. Maar hij blijft klem zitten tussen de loyaliteit aan zijn moeder en de prikkels die zij hem geeft. Wij wegen de risico’s af.
Hij vind het ook spannend om alleen met zijn moeder over het terrein te lopen vertelt hij ons. We besluiten uiteindelijk om niet haar, maar hem de pieper mee te geven.
“Als het niet goed gaat mag je op de pieper drukken en dan komen we”. Hij glimt van trots en na twee jaar zie ik ze nog geregeld samen over het terrein lopen. Er is nooit meer wat gebeurd.


 

Papiervoorraad

Jules is tegen de 60 en heeft vanaf zijn 12de jaar in een instelling gewoond. Hij groeide tot zijn tweede jaar net zo gezond op als de meeste kinderen. Hij had alleen de pech om als twee-jarig kind een ernstige herseninfectie te krijgen als gevolg van de mazelen. Hij is matig verstandelijk beperkt en woont op het terrein van de instelling.
Jules kon vroeger erg agressief zijn als dingen onduidelijk waren of als er te veel druk op hem gelegd werd. Hij kon dan een hele huiskamer binnen de kortste keren verbouwen. De oudere medewerkers kunnen daar nog met veel emotie over praten.
Bij zijn dagbesteding is alles precies op hem aangepast. Hij versnippert papier en dat doet hij met verve in zijn eigen rustige tempo. Hij zit in een rustige hoek van het gebouw.

Jules komt aan de arm van zijn broer mijn spreekkamer binnen. Hij schuifelt naar mijn bureau en gaat stram in de stoel zitten met zijn grote lichaam. Een klein beetje speeksel loopt langs zijn linker mondhoek op zijn jas.
We hebben een gesprek waarbij Jules zo af en toe “ja” zegt terwijl hij naar beneden kijkt.
Bij mijn vraag wanneer hij voor het laatst echt boos was moet de broer lang nadenken. Jules zegt wat onduidelijk: “Lang geleden.”
Ondertussen glijdt mijn oog over de medicatielijst met twee verschillende antipsychotica, een benzodiazepine in de avond, een antidepressiva, een anti-epileptica die hij krijgt als stemmingsstabilisator, een cholesterolverlager alsmede een bloeddruk- en een bloedsuikerverlagend middel. Ik besluit maar eens met de gedragsdeskundige te gaan praten.

Ongeveer vier maanden later zit ik op de dagbesteding samen met de gedragsdeskundige tegenover de manager van de dagbesteding, de persoonlijk begeleider van Jules en een medewerker van de groep van Jules.
Jules is sneller in alles, dus ook met het versnipperen. Hij praat meer en is meer open horen we. Ook is hij wat afgevallen. Men is blij voor Jules dat er medicatie is afgebouwd maar men vraagt mij nu wel of ik een oplossing heb voor het feit dat de papiervoorraad op is en hij nu soms niks te doen heeft. Ik ga verder niet in op deze vraag.
Pas op weg naar buiten vraag ik me af in hoeverre men dit serieus bedoelde….


 

Indicaties

Als ik op weg ben naar de supermarkt staat hij daar opeens.
Uit de grote shopper die naast hem op de grond staat, zie ik een slaapzak steken. Ik stop bij hem en vraag hoe het met hem gaat. Praten met hem is moeilijk omdat hij niet echt luistert en eerst steeds “wat?” zegt als je iets aan hem vraagt.
Ik informeer waar hij vannacht geslapen heeft. Nadat ik de vraag twee keer gesteld heb, begint hij een verhaal dat hij over twee weken miljonair is en dat alles goed komt.
Hij kijkt me wantrouwend aan terwijl hij dit vertelt en ik krijg uiteindelijk geen antwoord op mijn vraag. Daarna probeer ik hem, tegen beter weten in, te vragen of we nog wat kunnen doen voor hem.

Net voor de Kerst kreeg ik van een hulpverleenster een telefoontje over hem. Ze vertelde dat hij tot een paar maanden geleden in een instelling voor verstandelijk gehandicapten in het oosten van het land woonde. Hij was daar alleen niet tevreden en wilde weer bij zijn moeder wonen. En zo trok hij op een goede dag weer richting Rotterdam. Zijn moeder wist van niets maar ving hem uiteraard wel op.
Tot het niet meer ging en hij van bank naar bank verhuisde. Banken van een broer en een vriend tot die het ook te zwaar vonden worden en hij dus op straat belandde.
Hij heeft nog een WLZ-indicatie voor langdurige zorg maar hoe we dat ook aan hem proberen duidelijk te maken hij gelooft ons niet meer en wil eigenlijk niets meer van ons aannemen.
Dat komt zo: op een gegeven moment had hij zelf ook wel door dat bankslapen geen oplossing was en wilde hij toch weer terug naar een instelling. Een instelling in de buurt van Rotterdam. Zo gezegd zo gedaan en hij ging zelf, heel coherent, naar Stichting MEE. Die probeerde een plek voor hem te regelen maar gezien de lange wachtlijsten en zijn specifieke problematiek ging dat natuurlijk niet heel vlotjes. Wachtlijsten kunnen oplopen tot vier jaar!
Uiteindelijk belde hij de woningbouwvereniging om maar zelf wat te regelen. Aan de telefoon vertelde hij dat hij een woning wilde huren en dat hij een indicatie heeft. De, ongetwijfeld vriendelijke, medewerkster van de woningbouwvereniging zocht zijn (woon-)indicatie op in de computer maar vond die uiteraard niet en vertelde hem dit ook: “U heeft geen indicatie meneer, sorry, u moet gewoon op de wachtlijst en die is zeker vijf jaar.”

Vanaf dat moment gelooft hij ons niet meer en liegen wij volgens hem dat hij een indicatie heeft. Hoe ik ook probeer om hem het verschil tussen een WLZ-indicatie en een woonindicatie duidelijk te maken, hij luistert niet en is vol wantrouwen.
Als ik hem aanbied om wat eten voor hem te kopen wil hij dat niet. Uiteindelijk schud ik zijn hand ter afscheid en terwijl ik mijn handschoen weer aandoe en mijn sjaal rechttrek tegen de kou loop ik met een naar gevoel verder richting supermarkt.


 

Aangepast gedrag

Een beetje onwennig zit ik aan een grote tafel. Het gebouw waar de tafel staat waar ik nu aan zit kwam ik pas binnen na mij te hebben aangemeld en een pasje gekregen te hebben. Daarna moest ik via een soort zwembad-hekje langs twee potige bewakers. Links naast mij aan tafel zit een politieagent en rechts iemand van het openbaar ministerie. Aan de andere kant van de tafel zitten onder andere mensen van de gemeente, GGZ-instellingen en Stichting MEE. Dit is het veiligheidshuis en iedereen is bij elkaar gekomen voor een casusbespreking.

Het veiligheidshuis is een manier om kennis en kunde van verschilden organisaties samen te brengen en ernstig overlastgevende personen in de gemeente beter te kunnen begeleiden. Er worden een aantal casussen besproken waarbij het elke keer gaat over ernstige overlast, gecombineerd met psychiatrische problemen. De casussen zijn stuk voor stuk indrukwekkend en terwijl ik aandachtig luister zie ik naast mij de politie-foto’s van de op dat moment besproken persoon op het beeldscherm van de politieagent verschijnen. Ik realiseer mij met een schok dat het eenzelfde opeenvolgende reeks van foto’s is, die ik ook van mijn kinderen in de gang thuis heb hangen. Elk schooljaar een nieuwe school-foto.
Hier dus elk jaar een nieuwe politie-foto. Gemaakt vanwege het plegen van een strafbaar feit, vanaf het veertiende levensjaar tot een paar maanden geleden. De persoon in kwestie is nu 27 jaar… Ik denk niet dat hij ooit thuis school-foto’s had hangen als ik het verhaal over hem verder aanhoor. Hij is tientallen keren opgepakt voor fietsendiefstal, zwartrijden, openbare dronkenschap en meer van dit soort kleine vergrijpen. Als hij te veel gedronken heeft kan hij agressief worden.
Als je alles optelt heeft hij nu 4 jaar gevangen gezeten. Het waren steeds korte straffen van een aantal maanden. Nu zit hij ook weer een korte straf uit en komt over twee weken weer vrij. Daarom staat hij op de lijst om besproken te worden.
In de gevangenis zou hij “aangepast gedrag” hebben laten zien, vertelt iemand aan tafel, alsof het een soort Hannibal Lector is die met psychopathische trekjes zich in de gevangenis  aan kan passen aan de situatie. In de psychiatrie, waar hij ook een aantal keren is opgenomen vanwege alcoholverslaving, heeft hij het etiket anti-sociale-persoonlijkheidsstoornis gekregen blijkt.

Toch wat schuchter vraag ik het woord: “Ik denk dat de kans groot is dat hij een verstandelijke beperking heeft. Steeds gepakt worden voor dit soort kleine vergrijpen klinkt toch ook niet echt slim. Het aangepaste gedrag komt denk ik eerder voort uit de duidelijkheid die hij krijgt in het gevangenissysteem en de anti sociale persoonlijkheidsstoornis past mogelijk bij een sociaal emotionele ontwikkelings-leeftijd van een jaar of 3.”
Dan hoor ik aan de andere kant van de tafel iemand anders zeggen dat er ooit wel eens ergens in een brief een suggestie is gedaan van een lage intelligentie. De vertegenwoordiger van het openbaar ministerie neemt het woord en zegt dat ze zal aandringen op een IQ test nu hij toch in de gevangenis zit.

 


 

Tante Greet is dood.

 

“Naar tant Gree toe. Gree toe?”
Bianca staat in de deuropening. Haar bejaarde ouders kijken achterom en zwaaien nog een keer ten afscheid.
Het is zondagmiddag en zoals elke zondagmiddag staat Bianca daar weer. Vragend naar haar oude tante Greet.
Als haar ouders de hoek om zijn loopt Bianca weer naar binnen. Ze laat de deur achter zich open staan. Ze loopt de woonkamer in en gaat in de fel-rode stoel bij de tuindeur zitten.
Ze legt haar handen op elkaar voor haar borst en begint heen en weer te wiegen. Zacht hummend kijkt ze strak voor zich uit.
Tante Greet is al negen jaar geleden overleden. Niemand heeft dat aan Bianca verteld.

“Vertel het maar niet aan Bianca, ze zou het toch niet snappen en alleen maar in de war raken.”
“Daar hoeven wij haar toch niet mee te belasten?”
“Dat is zielig, ze hield zo van tante Greet. Vertel het maar niet hoor.”

Dan overlijdt op enig moment na een kort ziekbed Mariska die samen met Bianca in hetzelfde huis woont. Bianca en Mariska zijn al jaren vriendinnen. Bianca heeft gezien dat haar vriendin ziek werd en tenslotte niet meer uit bed kwam.
Bianca kwam daarna regelmatig even de kamer van Mariska binnenlopen. Ook toen de familie van Mariska aan het waken was. En in hun bijzijn overleed Mariska even later.
Terwijl de familie verdrietig naast Mariska’s bed zat kwam Bianca ook weer binnen.
Ze liep naar Mariska toe, keek aandachtig naar haar en zei:
“Dag Maris…..Maris weg….”
Daarna ging Bianca naar beneden naar de woonkamer waar de tafel gedekt stond. Ze ging zitten, wachtend op de avondmaaltijd.
“Bianca eten?” vraagt Bianca.

 

De namen zijn gefingeerd